Een autistische Barbie: mooi gebaar, maar ook een ongemakkelijke vraag
Mattel lanceerde deze week de eerste Barbie met autisme. Ze heeft o.a. een noise-cancelling koptelefoon, een fidget spinner, een tablet (AAC-achtig), beweegbare ellebogen en polsen (voor handbewegingen/stimming), en ogen die iets meer “naar de zijkant” kijken (als verwijzing naar minder direct oogcontact). De pop is ontwikkeld in samenwerking met het Autistic Self Advocacy Network.
Laat ik beginnen met wat ik er wél in waardeer: dit is duidelijk bedoeld als representatie. En representatie kan echt iets doen, voor kinderen die zichzelf herkennen, én voor hun omgeving die leert dat “hulpmiddelen” (koptelefoon, fidget, AAC) geen rariteit zijn maar soms gewoon dagelijkse realiteit.
Tegelijkertijd merkte ik dat mijn enthousiasme snel kantelde naar iets anders: een soort professionele aarzeling. Niet omdat ik tegen deze pop ben. Wel omdat dit precies het soort goedbedoelde stap is dat óók stereotypering kan bevestigen, juist doordat het in één icoon wordt gegoten.
Autisme is een spectrum. Dat zeggen we vaak, maar de consequentie nemen we minder vaak serieus. Een spectrum betekent: geen uniforme set kenmerken, geen standaard “look”, geen vaste toolkit aan hulpmiddelen. De één gebruikt een koptelefoon dagelijks, de ander nooit. De één mijdt oogcontact, de ander kijkt je juist lang en indringend aan. De één stimgedrag met handen, de ander met voeten, taal, ritmes, of juist intern en onzichtbaar.
Als je dan één Barbie “autistisch” maakt, is de kans groot dat die pop (onbedoeld) gaat functioneren als sjabloon: zo ziet autisme eruit. En omdat Barbie zó’n cultureel sterk symbool is, kan zo’n sjabloon hardnekkiger worden dan men denkt.
De accessoires helpen daarbij niet altijd. Een koptelefoon en fidget spinner zijn voor veel mensen herkenbaar, maar ze kunnen ook het beeld bevestigen dat autisme vooral draait om prikkels en “typisch gedrag”. Terwijl autisme óók gaat over communicatie, informatieverwerking, sociale scripts, energiehuishouding, special interests, over- of ondergevoeligheid, en een wereld die vaak niet is ingericht op neurodiversiteit. Een pop kan dat nauwelijks uitdragen.
Is Barbie een geschikt vehikel om autisme uit te leggen? Misschien is dat de kernvraag. Barbie is speelgoed. Speelgoed simplificeert. Dat is geen moreel oordeel, dat is de functie: een kind kan met een pop in vijf minuten een hele wereld bouwen. Maar autisme uitleggen is iets anders dan autisme representeren.
Het risico ontstaat wanneer we een complexe realiteit vertalen naar een herkenbare “set signalen” zodat het verkoopbaar en begrijpelijk wordt. Dan sluipt er iets in dat ik “stereotype by design” zou noemen: niet omdat iemand kwaad wil, maar omdat het ontwerp zónder versimpeling geen product meer is.
En dan wordt inclusie ineens iets dat je kunt kopen. Voor €11,87 (ik noem maar wat) krijg je niet alleen een pop, maar ook (impliciet) een lesje autisme. Maar wie bepaalt de les? Dat Mattel samenwerkte met ASAN is daarin een belangrijk pluspunt. Co-creatie met de gemeenschap zelf is echt de lat. Maar zelfs mét co-creatie blijft de vraag: welke verhalen worden zichtbaar, en welke verdwijnen door het bestaan van één “iconische” versie?
Wat zou een minder stereotype-gevoelige route zijn? Want ik wil natuurlijk niet alleen bekritiseren maar ook wat bijdragen. Ik moest denken aan een alternatief dat Mattel (of eigenlijk: elke maker die “inclusief” wil ontwerpen) zou kunnen overwegen:
Maak niet één autistische Barbie, maar maak ruimte voor verhalen.
-
Geef elke Barbie een mini-levensverhaal (een kaartje, boekje, QR-code naar een korte animatie): geen diagnose als label, maar context als mens. “Dit is Noor. Noor houdt van treinen en draagt soms een koptelefoon in drukke ruimtes. Noor houdt óók van toneel en is heel goed in woordgrappen.” Dan wordt het niet eendimensionaal.
-
Werk met meerdere “neurodiversiteitsverhalen” in plaats van één pop die “de” diagnose belichaamt. Niet: de autistische Barbie, maar: Barbies met verschillende prikkelprofielen, communicatiestijlen en routines. (En ja: sommige zonder zichtbare hulpmiddelen, want onzichtbaarheid is óók realiteit.)
-
Vermijd ‘symptoom-centrisch’ ontwerpen. Laat accessoires niet de identiteit worden. Een koptelefoon kan een hulpmiddel zijn, maar moet niet de samenvatting van een identiteit zijn.
-
Maak de educatie expliciet en meervoudig. Als je zegt “hier is een bredere kijk op inclusie”, lever dan ook materiaal dat nuance toevoegt: meerdere perspectieven, inclusief die van autistische volwassenen.
Kortom: minder label, meer verhaal. Minder icoon/ token, meer mens.
Autisme wordt nog te vaak herkend op basis van clichés (dat betekent dus direct dat mensen die wel autisme hebben maar de clichés niet vertonen, over het hoofd worden gezien). Zeker bij meisjes en vrouwen (en andere groepen die minder passen in het traditionele diagnosebeeld) speelt dat al decennia. Een pop die onbedoeld één dominant beeld versterkt, kan dus ook – hoe klein het effect misschien lijkt – meewerken aan een wereld waarin sommige mensen wel gezien worden en anderen niet.
Ik geloof best dat dit nobel bedoeld is. En ik gun elk kind het moment van herkenning: “Hé, dit lijkt een beetje op mij”. Maar juist omdat het nobel is, mogen we ook kritisch zijn op de uitvoering.
En misschien is dat de les die verder reikt dan Barbie alleen: inclusie is niet iets wat eenmalig je toevoegt aan het assortiment. Het is iets wat je bouwt in het verhaal – en in de manier waarop je complexiteit laat bestaan. In ieder karakter, achter ieder gezicht.
